Boomer, isoleren doe je beter goed

Boomer B.V.B.A. - +32 (0) 13 777 404 - info@boomerbvba.be

uw winkelwagen bevat 0

Een luchtdichtheidstest is een kwaliteits-meting van een gebouw.

02-05-09

Bronvermelding: dit artikel is verschenen op de website Architect, klik hier om de oorspronkelijke pagina te raadplegen.

“BLOWERDOORTEST ALS KWALITEITSNAZICHT”

Christophe Debrabander, zelfstandig architect in het Oost-Vlaamse Zwalm, is gespecialiseerd in lage-energiewoningen, passiefhuizen en bio-ecologisch bouwen. Net door deze specialisatie heeft hij heel wat ervaring met luchtdichtheidsmetingen.

“Persoonlijk vraag ik altijd aan de klanten of zij een test willen. In 75% van onze projecten gebeurt dat ook”, zo vertelt de architect. “Wij krijgen zo zekerheid over de luchtdichte afwerking van de isolatie. Bovendien verbetert het E-peil ook, wat resulteert in meer subsidies. De kostprijs van de blowerdoortest krijg je zo terug door de stijgende subsidie. Onlangs rekende ik bijvoorbeeld voor een klant het verschil in subsidies uit tussen zijn woning met en zonder test. De woning had oorspronkelijk een waarde van E47 (wat recht gaf op 1.820 euro subsidie van eandis); na de test was die waarde gedaald tot E36 met 2.300 euro subsidie van eandis én als extra 20% verlaging van de onroerende voorheffing gedurende 10 jaar, wat toch een aanzienlijk verschil geeft. De test zelf kost gemiddeld 350 à 500 euro; dit bedrag wordt dus volledig terugbetaald door je verhoogde subsidie én je hebt de zekerheid dat je luchtdichting goed is uitgevoerd.”

De blowerdoortest

“De start is het opstellen van de blowerdoor, een plastic deur met een ventilator in die de lucht naar buiten zuigt. Op die manier zal het duidelijk worden op welke plaatsen er nog lekken zijn die nog lucht naar binnen laten. Met de hand gaan we dan op zoek naar deze eventuele lekken. Als je geen lekken meer voelt, zit je meestal in een goede waarde van 2 à 1. Voor passiefhuizen moet men nog wat verder gaan en worden met rookflesjes kleinere lekken opgespoord. Zo kan men verder kleine lekken afdichten tot men de vereiste waarde van 0,6 h -1 haalt.”

Bij nieuwbouw of renovatie?

Christophe Debrabander: “De meeste metingen gebeuren tijdens het bouwen van een nieuwe woning. De meting wordt uitgevoerd als we vermoeden dat de luchtdichting afgewerkt is, dat wil zeggen na plaatsing en luchtdichte afwerking van buitenschrijnwerk, dampscherm … Eventuele fouten kunnen we dan nog oplossen. Bij bestaande gebouwen gebeurt de test minder, vooral omdat het daar niet altijd mogelijk is om alle lekken af te dichten. De grootste lekken in de klassieke nieuwbouw situeren zich bij de naden van het dampscherm en bij de aansluiting van het dampscherm aan dakvensters. Het niet luchtdicht afkleven van de naden van het dampscherm en de aansluiting met muren, dakvensters … blijkt in de praktijk verantwoordelijk te zijn voor 2 tot 4 m³/h/m². Lekken kunnen ook worden opgespoord door de blowerdoortest te combineren met infraroodfoto’s. Door het op onderdruk brengen van een woning kan infiltratie van koude lucht inzichtelijk worden gemaakt: op de infraroodfoto’s zie je heel duidelijk de luchtstroming.”

Betrouwbaarheid

Wat betreft de betrouwbaarheid van de test vertelt Christophe Debrabander: “De test is 100% betrouwbaar. De toestellen zijn geijkt en de situatie is op de werf gemeten. Maar hij moet natuurlijk wel op een correct moment worden uitgevoerd. Als de loodgieter na de test nieuwe gaten kapt of als men bij de binnenafwerking bij het plaatsen van de gipskartonplaten alle vijzen tot door het dampscherm schroeft, dan worden nieuwe lekken gecreëerd en is er een tweede test nodig.” Een tweede uitvoering van de test is eerder uitzondering dan regel. “Ik heb nog maar één project gehad waarin de test tweemaal werd gedaan. Het vorige resultaat was niet meer relevant omdat er meerdere gaten werden gemaakt voor elektriciteit en sanitair naar ruimtes buiten de luchtdichte schil. Er werd nadien een nieuwe test uitgevoerd om te zien of de nieuwe lekken wel voldoende waren afgedicht.”

______________________________________________________________________


LAGER ENERGIEVERBRUIK DANKZIJ LUCHTDICHTE GEBOUWSCHIL

UITVOEREN EN KWALITEITSCRITERIA BIJ TESTEN VAN LUCHTDICHTHEID VAN DE GEBOUWSCHIL

Er zijn verschillende redenen waarom een gebouw het best luchtdicht kan zijn. Niet alleen daalt het energieverbruik, het gebouw wordt ook beschermd tegen vochtschade. Andere voordelen die luchtdichtheid biedt, zijn een optimaal werkend ventilatiesysteem, geluidsdemping, het voorkomen van schadelijke stoffen in huis en een goede rook- en brand­bescherming. De luchtdichtheid van een gebouw kan ten allen tijde gemeten worden met een pressurisatiemeting, de zogenaamde blowerdoortest.
In dit artikel wordt besproken hoe die meting precies gebeurt in woningen en hoe men de uitgevoerde meting kan controleren op kwaliteit.

Ing. Paul Van den Bossche & dr. Samuel Caillou (WTCB)

Waarom luchtdichtheid meten?

Er zijn verschillende redenen waarom luchtdichtheid wordt gemeten waarbij een kwantitatief resultaat wordt bekomen. Al tijdens het bouwproces kan een meting een indicatie geven over de globale luchtdichtheid, wat toelaat het bouwproces bij te sturen en tijdig de nodige correctieve maatregelen te nemen. Dit artikel handelt echter eerder over de eisen die gesteld worden aan metingen met enig officieel karakter.

Zo eist de passiefhuisproject­erkenning, die ook als voorwaarde wordt gesteld voor bepaalde overheidssubsidies, dat een meting een n50-waarde lager dan 0,6 h-1 aantoont. In sommige gevallen wordt deze eis ook contractueel vastgelegd in de overeenkomst tussen bouwheer en aannemer. Bij het berekenen van het E-peil kan een lage specifieke oppervlakteluchtdichtheid (v50) een daling van 10 à 15 E-peilpunten realiseren.

De basis voor het meten van de luchtdichtheid van de gebouwschil is de NBN EN 13829:2001. In het kader van de EPB-regelgeving werden documenten opgesteld met bijkomende specificaties of toelichtingen; deze documenten zijn terug te vinden via http://luchtdichtheid.pmg.be.

Dit artikel richt zich vooral op de vereisten om correct te kunnen meten in het kader van de EPB-reglementering (voor heel België), maar kan wellicht ook gebruikt worden in het kader van passiefhuismetingen. Voor het meten van de luchtdichtheid van een gebouw wordt gebruikgemaakt van een ventilator die de woning in onder- of overdruk brengt. De druk bedraagt minimaal 50 Pa, vergelijkbaar met een winddruk op de buitengevel van 4 tot
5 beaufort. Het debiet dat de ventilator daarbij moet leveren, stemt overeen met het totale lek van de gebouwschil.

Bepaling van de gemeten zone

Voor de meeste eenvoudige eengezinswoningen stemt het beschermd volume overeen met het EPW-volume (volume voor Energieprestatie voor woningen); het is dan ook dat volume waarvan de luchtdichtheid wordt gemeten. Volgende ruimten, voor zover ze geen deel uitmaken van het beschermd volume, vallen dan normaal buiten de gemeten zones: een serre als bufferruimte, een onverwarmde garage, een niet-bewoonde kelder of zolder, een kruipruimte of onbruikbare holle ruimten. Bij woon-gebouwen met meerdere woonunits of appartementen kan het volledig beschermd volume in één maal gemeten worden. Omdat het gemeten volume minstens het EPW-volume moet omvatten, maar niet noodzakelijk het volledig beschermd volume, kan er ook voor gekozen worden de verschillende appartementen afzonderlijk te meten, waarbij sommige gemeenschappelijke delen, zoals een traphal, niet moeten worden gemeten. Nadeel is wel dat ook luchtlekken tussen de verschillende appartementen onderling als in- of exfiltratielek worden gerekend, zodat het globaal meten toch de voorkeur geniet.

Meetmethode en voorbereiding

De meting zal normaal gezien worden uitgevoerd bij een volledig afgewerkte bouwschil. Het geniet echter de voorkeur dat ook alle andere werkzaamheden zijn afgerond, omdat deze de luchtdichtheid eventueel toch nog kunnen aantasten. Denk daarbij aan extra kabeldoorvoeren of aan een zolderbetimmering die het onderliggende luchtscherm veelvuldig kan perforeren als de gebruikte schroeven niet aangepast zijn aan de dikte van de uitlatting.

Bij niet geplaatste binnendeuren zijn de dagkanten van deze deuren nog niet afgewerkt; ook dit kan de luchtdichtheid beïnvloeden terwijl het niet is toegestaan deze dagkanten tijdelijk af te kleven. Belangrijk is ook dat alle technische uitrustingen die lucht kunnen aan- of afvoeren (ventilatiesystemen, open verbrandingstoestellen, dampkappen of droogkasten) worden uitgeschakeld.

Twee methoden

De norm beschrijft twee methoden: A en B. Methode A heeft als doel de luchtdichtheid van een gebouw te meten in omstandigheden die representatief zijn voor het gebruik van het gebouw.

Methode B richt zich op het meten van de prestaties van de gebouwschil zelf, waarbij alle bewuste openingen worden afgesloten of afgedicht omdat hierbij enkel de afwerkingskwaliteit van de wanden wordt geëvalueerd.

Deze methode is minder geschikt voor het bepalen van de globale energetische prestaties van het gebouw. Bewuste ventilatieopeningen worden wel afgesloten omdat het energieverbruik ten gevolge van bewuste ventilatie elders verrekend wordt in EPB- en Passivhaus Projektierungs Paket rekenmethodieken. In het kader van energetische bouwprestaties wordt er dus gewerkt met methode A. Alle bewust aangebrachte openingen worden gesloten met behulp van de erop beschikbare sluitingsvoorzieningen.

Wat sluiten en afdichten?

Onder sluiten wordt hier uitdrukkelijk verstaan dat er niet bijkomend mag worden afgedicht of afgekleefd. Dit geldt natuurlijk voor het buitenschrijnwerk, maar ook voor ventilatie-openingen waarbij de lek in gesloten toestand toch nog zal worden meegerekend.

Sommige openingen kunnen wel worden gesloten, maar zouden worden opengedrukt tijdens de test (bijvoorbeeld een kattenluik), daarom mag men deze blokkeren met een wig, een gewicht of met kleefband, zonder ze echter af te dichten. Men mag verwachten dat dit soort openingen in passiefhuizen niet aanwezig zijn.

Binnendeuren, tussen verschillende ruimten in het gemeten volume, worden geopend, behalve deze voor toilet en ingemaakte kasten.

Kanalen voor mechanische ventilatie zullen worden afgedicht.

Dit kan op diverse plaatsen gebeuren:

• ter hoogte van de inblaas- of extractieventielen (zie [1] op tekening hierboven), door bijvoorbeeld gebruik te maken van een ballon.

• Ook een afdichting van de kanalen ter hoogte van de doorboring doorheen de luchtschil (zie [2]) is toegestaan.

• Zoals ook de afdichting ter hoogte van de uitmonding buiten, bv. op het dak (zie [3]); dit is wel niet steeds gemakkelijk praktisch toepasbaar.

Diverse openingen blijven gewoon open, omdat ze tijdens het gebruik van de woning ook open blijven. Het gaat hier bv. over toevoeropeningen voor verbrandingslucht, afvoer van verbrandingsgassen of een open haard (een eventueel aanwezige schouwklep mag wel worden gesloten), een afvoer voor een dampkap of een droogkast.

Draag er zorg voor dat sifons voor afvalwaterafvoer gevuld zijn (ontluchtingen voor afvalwater­afvoeren mogen niet worden afgesloten).

Openingen in de gebouwschil die nog niet zijn afgewerkt, zoals ontbrekend schrijnwerk, maar ook een nog niet aangesloten dampkap of droogkast of een ontbrekend verbrandingstoestel, mogen niet worden afgedicht omdat de luchtdichtheid in de definitieve toestand onbekend is. Openingen die niet gebruikt zullen worden, mogen door de opdrachtgever adequaat en duurzaam worden afgedicht.

Het gaat hier bijvoorbeeld om een voorziening voor een houtkachel als bijverwarming die de eerste tijd nog niet wordt geplaatst. De uitvoerder van de metingen kan echter vragen deze afdichting te verwijderen indien hij deze niet gerechtvaardigd vindt.

Plaats pressurisatie­apparatuur en meting

In de praktijk worden de lekken van de opening waarin de ventilator voor het onder druk zetten van het gebouw wordt geplaatst, niet mee gemeten. Het is duidelijk dat de plaats van de apparatuur een invloed zal hebben op het eindresultaat.

Om te vermijden dat dit lek het eindresultaat te sterk onderschat of dat een bijkomende meting zou moeten worden uitgevoerd, van deze opening zelf, zal de positie van de pressurisatieapparatuur worden gekozen in een op zich al goed luchtdichte opening. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan een venster of vensterdeur met omlopende elastische dichting, boven een deur met een vrije dorpel, al dan niet met een afdichtingsvoorziening zoals een guillotineplint. De plaats van de apparatuur wordt opgenomen in een meetverslag.

De norm laat toe om te meten ofwel bij overdruk, ofwel bij onderdruk. In het kader van de EPB-regelgeving wordt geëist dat beide metingen worden doorgevoerd en uitgemiddeld. Het uitvoeren van beide metingen, vertegenwoordigt immers nauwelijks een meerkost maar verhoogt de globale betrouwbaarheid van het resultaat. De verschillen tussen beide zijn soms niet verwaarloosbaar. Ten slotte willen we zicht krijgen op zowel in- als exfiltraties.

Uitdrukking resultaten en proefverslag

De metingen leveren ons een serie meetpunten op waarvan via regressie het luchtlekdebiet bij 50 Pa wordt bepaald, zowel voor onderdruk als voor overdruk. Het gemiddelde van beide waarden vormt de belangrijkste uitkomst van de meting: een gemiddeld luchtlekdebiet bij 50 Pa.

In het kader van een eventuele internationale vergelijking is het aangewezen deze notatie aan te vullen met de gebruikte methode, bijvoorbeeld V50, A.

Voor verdere verwerking, of om grenswaarden vast te leggen die onafhankelijk zijn van gebouwvolume (of compactheid), wordt dit gemiddelde luchtlekdebiet mees­tal gerelateerd aan bepaalde gebouwkarakteristieken. In België zijn volgende afgeleide waarden van belang:

Intern gebouwvolume

Als we het gemiddelde luchtlekdebiet delen door het interne volume van de gemeten zone, dan bekomen we het infiltratievoud bij 50 Pa: de n50-waarde. Deze waarde geeft een indicatie van de luchtdichtheid van een gebouw als geheel, een waarde die wordt beïnvloed door de luchtdichtingskwaliteit van de gebouwschil, maar ook sterk beïnvloed wordt door de compactheid van het gebouw.

Een compact gebouw met eenzelfde uitvoeringskwaliteit van de gebouwschil heeft een veel gunstigere n50-waarde dan een niet-compact gebouw. Deze waarde mag voor passiefhuizen niet meer zijn dan 0,6 h-1 en wordt in het PHPP verrekend.

De bepaling van het binnen­volume van het gebouw geeft aanleiding tot enige discussie. Houdt men vast aan een zeer nauwkeurige en tijdrovende detailberekening, dan lopen de kosten van de meting op, met het risico op erg verschillende resultaten tussen diverse uitvoerders. De gewenste nauwkeurigheid gaat dan ten onder aan een gebrek aan reproduceerbaarheid. Bij de eenvoudige methode wordt uitgegaan van globale binnenafmetingen, maar zonder aftrek van tussenwanden en tussenvloeren, waarbij ook beperkt volumes als deze aan deuren en vensters niet worden meegerekend.

Externe testoppervlakte

Delen we het gemiddelde luchtlekdebiet door de buitenoppervlakte van de gemeten zone (Atest) dan bekomen we een oppervlaktedichtheid bij 50 Pa: de v50-waarde (in m³/h/m²). Deze waarde geeft een indicatie van de uitvoeringskwaliteit van de gebouwschil, onafhankelijk van de compactheid, en refereert dus direct aan de constructieve eigenschappen en de kwaliteit van de uitvoering.

Deze waarde wordt gehanteerd in de EPB-berekening en laat bijvoorbeeld toe om de luchtlekken, gemeten in een groot gebouw, te verdelen over verschillende wooneenheden, en dat in functie van de schiloppervlakte en niet in functie van de binnenvolumes.

Aanvullend op de eisen van het proefverslag uit de norm zal het stavingsstuk voor de EPB-verslaggeving onder andere volgende gegevens bevatten:

• Een goede beschrijving van de gemeten zone

• De plaats van afdichting van de ventilatiekanalen

• Plaats van de pressurisatie-apparatuur

Atest en de oppervlakteluchtdichtheid v50 moeten niet noodzakelijk door de uitvoerder van de meting worden berekend omdat de basisgegevens meestal al in de EPB-rapportering worden bepaald. In dat geval is een bijkomend EPB-stavingsstuk vereist met deze eenvoudige bepaling, met opgave van de oorsprong van de Atest-gegevens. In het kader van de EPB-verslaggeving moet het proefverslag geen melding maken van het binnenvolume en het infiltratievoud n50 (gegevens die wel vereist zijn in het kader van de PH-project­erkenning).

MEER KWALITEIT

Een goede beschrijving van de wijze van uitvoering van de meting geeft nog geen garantie op globaal betrouwbare resultaten.

Volgende elementen verdienen in dit kader zeker nog aandacht:

• Het vastleggen van eisen met betrekking tot een regelmatige ijking van de meetapparatuur.

• Het op peil brengen van de beroepsbekwaamheid van de uitvoerders van metingen, gaande van het voorzien in opleiding over het invoeren van een vrijwillig label tot certificatie, wat regelmatige onafhankelijke verificatiemetingen kan inhouden. In dit kader is ook de onafhankelijkheid van de uitvoerder van metingen ten opzichte van de opdrachtgever van belang, zeker bij belangrijke (financiële) implicaties van het meetresultaat.

• Het verder uitwerken van een methodiek voor het analyseren van de foutenmarge, verschillen tussen onderdruk- en overdrukmetingen, herhaalbaarheid van metingen en de consequenties op het eindresultaat.

• De plaats van kwalitatieve hulpmiddelen voor het identificeren van punctuele lekken zoals rookgeneratie of IR-thermografie. Deze zijn zinvol als ondersteuning van het bouwproces maar nauwelijks bruikbaar als rapporteerbaar eindresultaat.

Het is echter niet realistisch om op korte termijn op hoger vermelde vlakken strikte eisen te stellen.

Besluit

Bij het doorvoeren van luchtdichtheidsmetingen van de gebouwschil is er een duidelijke nood aan correcte, herhaalbare en vergelijkbare meetresultaten; de norm is hiervoor de referentie. In het kader van de EPB-reglementering is er een document opgesteld, gezamenlijk voor de drie gewesten, dat verduidelijkingen toevoegt aan de norm en ook enige bijkomende specificaties vermeldt. Metingen in het kader van een PH-erkenning moeten momenteel niet uitdrukkelijk voldoen aan de EPB-reglementering. Het lijkt echter wenselijk dat het Passiefhuis-Platform in zijn constructiestandaard en erkenningsvoorwaarden verwijst naar hogergenoemd document.

Voor de toekomst zullen wellicht nog heel wat praktijkvragen een antwoord moeten krijgen en zal er aandacht moeten gaan naar het verder verhogen van de kwaliteit van de metingen.

Dit artikel werd geschreven in uit de media